Visie op schilderen
Het is niet het oog dat ziet, maar het brein. In het brein ontstaat de beleving van de waarneming, de herkenning. Elke herkenning is een interpretatie. Uit elk uniek beeld dat via het oog binnenvalt weet het brein een continuüm van herkenbare beelden te maken. Zo kennen wij de wereld en kunnen we hem ervaren. Zonder deze continue interpretatie zouden we niet kunnen zien, daar we geen weet zouden hebben van wat we zagen.
Het zien is gelijk ook het ervaren van ons bewustzijn. We kunnen een "waarneming" vormen in onze gedachten, ons iets voorstellen. Ook los van de werkelijkheid en het moment, we ervaren daar mee ons "ik", ons individueel zijn, ons bewustzijn.
Het moet een magisch moment geweest zijn, de eerste keer dat een mens in het zand krabbelde en daarin een beest, een hert zag. Het moet een gevoel van macht, van beheersing gegeven hebben. Magisch moet het ook geweest zijn toen de ander in diezelfde krabbels ook dat beest herkende en men van elkaar wist dat het ging over iets dat niet hier was, maar ginder aan de andere kant van de heuvel.
Het besef een bewustzijn te hebben en dat te delen met een ander, die verbondenheid, moet het begin van kunst, van cultuur geweest zijn. Een individu, met een eigen "Ik", verwant met een ander individu, verwant met een andere "Ik".
Dat magisch moment, het moment dat het brein iets ervaart, zich bewust wordt van een waarneming, dat zoek ik met mijn werken. Het brein maakt gebruik van verschillende bewerkingen van het beeld dat binnenkomt, verschillende "filters", waarmee het kenmerken in het beeld poogt op te sporen. Ervaart het brein een aantal van deze kenmerken, deze wetmatigheden dan vult het het beeld aan tot een ervaren van een samenhang, tot een geheel. Een samenhang van gedachten, gevoelens en emoties, een samenhang met eerder kennis van de wereld. Bij deze wetmatigheden kun je denken aan hele bekende zoals de wetmatigheden van perspectief en kleurleer. Maar er zijn ook wetmatigheden die bepalend zijn voor het ervaren van gevoelens en emoties en veel minder makkelijk te benoemen.
Vindt het brein te weinig samenhang dan wordt het beeld beleefd als diffuse, onduidelijk, onaangenaam (want gevaarlijk). Bevat het beeld te veel wetmatigheden dan dreigen er ook twee gevaren. Of de wetmatigheden gaan elkaar tegenspreken en beeld wordt ambigue, het brein weet niet waar het aan toe is en ervaart dit als onaangenaam. Of de samenhang tussen de wetmatigheden is congruent en daar mee zeer herkenbaar en makkelijk te interpreteren, en het brein beleeft het als vanzelfsprekend, niet van belang, want alles is zoals het moet zijn. Dit laatste is voor een deel te voorkomen door een zeer uniek of belangwekkend onderwerp te kiezen. Iets met een grote intellectuele, gevoelsmatige of emotionele waarde voor de beschouwer.
Er is dus een gebied tussen te veel en te weinig kenmerken van wetmatigheden in een beeld. En te veel of te weinig onderlinge samenhang tussen de wetmatigheden in een beeld. Binnen deze twee grensgebieden, die te samen een kader vormen, probeer ik mij te bewegen. Daar is het boeiend, daar moet het brein actief kijken. Daar ontstaat het werkelijk beleven van zien. Daar ontmoet het beeld de individuele beschouwer en ontstaat de unieke kijk. Daar ontmoet mijn bewustzijn het bewustzijn van de ander.